Thema Veehouderij

Beleid en regelgeving

Postzegelbestemmingsplannen en m.e.r.

De Commissie krijgt regelmatig vragen over m.e.r. voor zogenaamde 'postzegelbestemmingsplannen' die vastgesteld moeten worden om uitbreiding van een veehouderij mogelijk te maken. Voor deze plannen is een plan-m.e.r.-procedure nodig als de uitbreiding m.e.r.-beoordelingsplichtig is volgens de D-lijst van het Besluit m.e.r. (categorie D14). Vragen die de Commissie krijgt gaan bijvoorbeeld over de te onderzoeken alternatieven en het detailniveau.

Voor de besluitvorming over postzegelplannen is meestal ongeveer dezelfde informatie nodig als voor een Wabo-vergunning, waarvoor een project-m.e.r.-procedure geldt. Belangrijk is dat het MER, net als bij een bestemmingsplan buitengebied, uitgaat van de maximale mogelijkheden die het plan biedt.

Meer informatie die relevant kan zijn bij postzegelbestemmingplannen vindt u o.a. in factsheets en onder Veelgestelde vragen bij de thema's Veehouderij en Landelijk gebied. Ook is er jurisprudentie over postzegelplannen en m.e.r.

 

Veehouderij en gezondheid

De gevolgen van intensieve veehouderijen voor de gezondheid van omwonenden staat volop in de belangstelling. Mogelijke risico's voor de gezondheid worden veroorzaakt door fijnstof, geur, endotoxinen en zoönosen (ziektes overdraagbaar van dier op mens). Naast rijksbeleid op dit gebied, kan ook provinciaal of gemeentelijk gezondheidsbeleid relevant zijn. Denk aan lokaal beleid voor leefomgevingskwaliteit en beleid dat gericht is op het reduceren van geuroverlast en van geluid.

 

Onderzoeken
Uit onderzoeken blijkt dat geen duidelijke afstand tot veehouderijen, een relatie met megastallen of dierdichtheid is te benoemen waarbij gezondheidseffecten bij mensen vaker optreden.

 

In het MER
Geef in het MER in ieder geval een beschrijving van alle hygiënemaatregelen die binnen de inrichting worden getroffen om verspreiding van ziektekiemen te voorkomen. Met een onderbouwing waarom deze maatregelen, met de beschikbare kennis, toereikend zijn om risico’s voor de volksgezondheid te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
De Commissie adviseert om in zo'n vroeg mogelijk stadium in de planvorming contact op te nemen met de lokale GGD.

 

Luchtkwaliteit

Fijn stof
Veehouderijen vormen een emissiebron van fijn stof. Het MER moet, naast een toetsing aan de wettelijke eisen, inzichtelijk maken welke effecten het voornemen en de alternatieven hebben op de luchtconcentraties van met name fijn stof. Handreiking fijn stof en veehouderijen biedt ondersteuning bij de toetsing.


Fijn stofknelpunten
Fijn stofknelpunten zijn veehouderijen die vanaf 2011 een overschrijding van de grenswaarden fijn stof op een woning of object veroorzaken. Als het voornemen in een gebied ligt waarvoor de Regeling niet in betekende mate niet geldt, dient in het MER duidelijk te worden gemaakt wat hiervan de consequenties zijn voor het voornemen.


Overige luchtemissies
De Nederlandse emissierichtlijn lucht (NeR) harmoniseert vergunningen over emissies naar de lucht en geeft informatie over emissiebeperking. Zij geeft algemene eisen aan emissieconcentraties en uitzonderingsbepalingen voor specifieke activiteiten of bedrijfstakken. In een MER moet aangetoond worden dat emissies van bijvoorbeeld mestverwerkings- en bewerkingsinstallaties voldoen aan de relevante emissie-eisen.

Het Besluit emissie-eisen stookinstallaties (Bees) stelt emissie-eisen aan de uitstoot van stikstofoxiden (NOX), zwaveldioxide (SO2) en stof uit stookinstallaties. Dit kan eisen stellen aan installaties binnen veehouderijen, bijvoorbeeld in het geval van mestverwerking.

 

Geur

Het MER geeft inzicht in de geuremissie en –belasting. Geur vanuit stallen wordt getoetst aan de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). 
Geurbelasting wordt altijd bepaald op de geurgevoelige objecten met het rekenmodel V-Stacks Vergunningen. De geurbelasting wordt getoetst aan de normen uit de Wgv of, als deze beschikbaar zijn, aan de geurnormen uit de gemeentelijke geurverordening.

Gezien de grootte van de meeste m.e.r.-plichtige veehouderijen vraagt de Commissie in veel gevallen om binnen de omgevingstoets ook inzicht te geven in de cumulatieve geurbelasting met behulp van het rekenmodel V-Stacks Gebied. Betrek hierbij de achtergrondgeurbelasting van andere, al aanwezige veehouderijen in de omgeving.

Van andere geurbronnen, zoals brijvoerproductie en mestbe- en –verwerking, moeten de gevolgen voor de geurhinder beschreven worden.

 

Richtlijn industriƫle emissies - IPPC

Een varkens- of pluimveehouderij is op grond van bijlage 1 van de RIE een zogenaamde IPPC-inrichting als het beschikt over:

  • meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee
  • meer dan 2 000 plaatsen voor mestvarkens (van meer dan 30 kg), of
  • meer dan 750 plaatsen voor zeugen.

De toepassing van beste beschikbare technieken (BBT) en de IPPC-omgevingstoets zijn relevant voor de beschrijving van de milieugevolgen en van de alternatieven in het MER.

 

Dierenwelzijn

De Gezondheid- en welzijnswet voor dieren bepaalt dat je geen handelingen met dieren mag verrichten, tenzij in de wet staat dat het wel mag (het 'nee, tenzij'- principe). Aan deze raamwet zijn Algemene Maatregelen van Bestuur (AmvB's) gekoppeld die nadere regels stellen, zoals het Varkensbesluit, het Legkippenbesluit en het Vleeskuikenbesluit. Het MER moet ingaan op de effecten van het voornemen en de alternatieven op dierenwelzijn.

 

Ammoniak

Emissie


Depositie
Het MER moet inzicht geven in de milieueffecten. Voor de gevolgen van de ammoniak-/stikstofemissie brengt het MER de depositie op kwetsbare gebieden in beeld. Hierbij wordt niet alleen gekeken naar de zeer kwetsbare gebieden die beschermd worden op grond van de Wav, maar naar alle relevante (kwetsbare) natuurgebieden binnen de ecologische hoofdstructuur.

Speciale aandacht is er voor depositie op gebieden die beschermd worden op grond van de Natuurbeschermingswet 1998: de Natura 2000-gebieden en Beschermde natuurmonumenten.

 

Berekening brijvoer

De Commissie vraagt voor varkenshouderijen in het MER aan te geven hoeveel en welk soort bijproducten worden gebruikt en wat de verwachte opslag en doorvoer is. De reden hiervoor is dat boven 1.000 m3 opslag en/of 15.000 ton doorvoer niet de gemeente, maar de provincie bevoegd gezag is voor de vergunningprocedure en daarmee voor de m.e.r.-procedure. Maak deze berekening zo realistisch mogelijk. Het betreft namelijk relevante milieuinformatie. Bijproducten kunnen leiden tot geuroverlast. Een onrealistische inschatting van de hoeveelheid bijproducten kan bij de rechter tot de conclusie leiden dat er een vormfout is gemaakt. De m.e.r.- en vergunningprocedure moeten dan opnieuw.