Thema Landelijk gebied

Beleid en regelgeving

Wetswijziging Artikel 19kd Natuurbeschermingswet

Op 25 april 2013 trad een wijziging van artikel 19kd Natuurbeschermingswet 1998 in werking. Vanwege de interpretatieruimte die het gewijzigde artikel biedt, vroeg de Commissie aan de betrokken bewindspersonen om een nadere interpretatie van het artikel. De staatssecretaris van EZ heeft de vragen in een brief beantwoord.

 

De staatssecretaris geeft aan dat:

  • Er inhoudelijk niks verandert ten opzichte van de situatie zonder gewijzigd artikel 19kd, maar dat met de wetswijziging plansaldering formeel is geregeld.
  • De plantoets in lijn met de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet worden uitgevoerd.

 

Advieslijn
De Commissie volgt in haar advisering de uitleg van de staatsecretaris. Dit betekent dat wij voor de effectbeoordeling van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden als referentiesituatie uitgaan van de huidige feitelijke -legale- situatie.

 

Relevante passages uit de brief van de staatssecretaris

  • Voor de plantoets is de huidige, feitelijke - legale - situatie het referentiekader.
  • Niet-benutte bouw- en gebruiksmogelijkheden die in een nieuw bestemmingsplan opnieuw worden bestemd en die kunnen leiden tot ontwikkelingen met mogelijk significante gevolgen, moeten voorafgaand aan de vaststelling van dat plan passend beoordeeld worden, tenzij zij eerder passend zijn beoordeeld en die Passende beoordeling nog actueel is.
  • Als de in een plan voorziene activiteiten niet, of per saldo niet leiden tot een toename van de stikstofdepositie, dan is er voor het element stikstof geen passende beoordeling noodzakelijk. Saldering tussen de verschillende planonderdelen is mogelijk, mits zeker is dat het plan in zijn geheel geen significante gevolgen kan hebben.


Brief van de Commissie m.e.r.

Bijlage

 

Postzegelbestemmingsplannen en m.e.r.

De Commissie krijgt regelmatig vragen over m.e.r. voor zogenaamde 'postzegelbestemmingsplannen' die vastgesteld moeten worden om uitbreiding van een veehouderij mogelijk te maken. Voor deze plannen is een plan-m.e.r.-procedure nodig als de uitbreiding m.e.r.-beoordelingsplichtig is volgens de D-lijst van het Besluit m.e.r. (categorie D14). Vragen die de Commissie krijgt gaan bijvoorbeeld over de te onderzoeken alternatieven en het detailniveau.

Voor de besluitvorming over postzegelplannen is meestal ongeveer dezelfde informatie nodig als voor een Wabo-vergunning, waarvoor een project-m.e.r.-procedure geldt. Belangrijk is dat het MER, net als bij een bestemmingsplan buitengebied, uitgaat van de maximale mogelijkheden die het plan biedt.

Meer informatie die relevant kan zijn bij postzegelbestemmingplannen vindt u o.a. in factsheets en onder Veelgestelde vragen bij de thema's Veehouderij en Landelijk gebied. Ook is er jurisprudentie over postzegelplannen en m.e.r.

 

Wet inrichting landelijk gebied

De Wet inrichting landelijk gebied (Wilg) is door de Tweede Kamer aangenomen. Met de Wilg is de decentralisatie van het natuurbeleid wettelijk verankerd en is het ILG (Investeringsbudget Landelijk Gebied) afgesloten. De Wilg is het sluitstuk van bestuurlijke afspraken tussen rijk en provincies over de afronding van het ILG. Rijk en provincies hebben afspraken gemaakt over de doelen en de uitvoering van het ILG. De provincies zorgen voor de uitvoering. Sinds 2007 hebben ze de volledige beschikking over de besteding van het rijksgeld voor inrichting van het platteland.